Ik trap met mijn voeten op de spijkers, en ik bloed niet.
Onder het gedonder van geluid hoor ik mijn hart des te harder kloppen.
Ik voel alles. Mijn zintuigen staan op scherp en mijn maag sputtert tegen want dat is al wat het kent. Golven en gedijen en meegaan en draaien en knagen. Ik sta temidden de helikopters en sirenes op mijn eiland alleen, met al de vraagtekens die ge aan koorden rondom mij hing en waar ge mij mee alleen liet. Dat ik het zelf mag oplossen, want ik doe toch altijd groots. Dat ik doe alsof de wereld van mij is en ze maar aan mijn voeten moeten komen liggen zodat ik hun schedel kan openstampen. Dat doe ik op mijn dooie gemak en zonder schuldgevoel.
Zo hebt gij mij geschetst en zo ben ik blijven wachten totdat ge mij kwam voltooien. Dat ge van mij een ei zou maken of een praline, of iets anders dat hard is vanbuiten, maar zacht vanbinnen.
Misschien heb ik u zelf wel laten verdwijnen. Oppert gij. Zodat ik mij ook eens kan baden in een slecht gevoel. Want gij draagt de wereld op uw schouders en ik heb geen recht van spreken, alles wat mij pijn doet draagt de naam pseudo. Aanranding wordt geschreven met een 'maar' voor. Dat dat eerste tekenen waren van mijn slaafse machteloosheid, is van geen belang. Dat ik mij niet elke avond in zweet baad en mij niet nachtenlang in slaap huil wordt niet aanvaard want als ge écht pijn werd gedaan, dan blijft ge voor uw hele leven lang slachtoffer. Ik word niet gefeliciteerd als ik beslis dat dat niets voor mij is en dat ik geen schaap ben dat gelukkig is zolang ze maar geaaid wordt.
Ik was alleen en ik droeg blauwe plekken op mijn armen. Of. Ik droeg blauwe plekken op mijn armen, maar was alleen. Niemand bracht mij ijs maar daar heb ik nooit om geroepen, ik wou een hand die mij vasthield en zei 'Ge moogt ook eens huilen, als ge wilt. Kom, wees eens kwetsbaar en voor eens, laat eens een ander naar u luisteren. Niemand zal u er later aan herinneren, het is ons geheim.' Ik smachtte naar een geheim, gedeeld met u. Mijn geheim, delen met u. Eentje. Een kleintje maar. Hoe meer mensen ik tegen kom, hoe meer ik door krijg dat wij het nooit over iets hadden. Niets werelds, alles groots, filmisch. Wij spraken nooit over seks, ons maandelijks bloeden, nooit over de vragen in ons hoofd, ik zag u nooit letterlijk, altijd figuurlijk. Ge verwachtte dat ik alles zomaar tussen uw huidplooien heen kon lezen en ik mocht niet falen, want ik wist dat als ik dat deed, alles voorbij zou zijn.
Ik merkte hoe uw huid dikker werden en uw plooien minder zichbaar, en ik wou u waarschuwen, en mijzelf, maar ge had er geen tijd voor want uw hoofd zat vol met wolken en met lijden. Ge liet uzelf altijd lijden, en ik vroeg mij altijd af waarom. Het deed mij pijn u te zien lijden dus wou ik voor mijzelf minder lijden zodat wij in evenwicht waren, want dat vond ik belangrijk, u opvullen, en ik hoopte dat gij mij ook zou opvullen maar hoeveel vlees en vet er ook aan een mens zit, eigenlijk zij we daar niet voor gemaakt. Ik wou het pad van aanvaarding betreden maar dat was afgezet en er stond een wachter bij. Dat ik nog te jong was, dat zei hij.
Ik had pijn. Ge bond die koorden rondom mij en ik zei, dat ik zou wachten met die vraagtekens, op u, tot uw hoofd vrij was en dat ge dan mocht terugkomen. En toen zei gij dat gij zou wachten op mij en dat vond ik onbegrijpelijk.
Nogmaals ging ik naar de wachter, ik zei 'Kijk eens in mijn ogen en zeg dan nog eens dat ik te jong ben, want ik voel mij eeuwen oud en alleen.' Hij zei dat hij voor mij een uitzondering wou maken, als ik mijn best zou doen en hem zou beloven dat ik niet iedereen uw stempel zou geven, want dat zou mij bitter maken en dan zou ik sterven onderweg. Vanbinnen of vanbuiten, dat wist hij mij niet te vertellen want hij was 'just the messenger'.
Eer ik het koninkrijk Aanvaarding betrad, was uw hoofd weer leger en luchtiger en wou ge met mij spreken maar ik wou niet meer. Dat ik u niet in uw armen sprong vond ge vreemd want wij waren toch vrienden. Uw definitie van vriendschap is niet mijn dada. Dat zeg ik u nu. Ik mag niet toegeven aan de volledige zelfopoffering om te krijgen wat ik het liefst wil. Dat zeg ik u nu. Bij u liep ik in de schaduwen en ik dacht dat gij de zon waart en als gij de zon waart dan zou ik die schaduw wel verdienen, anders zou ik een zonneklop krijgen.
Ik werd geslagen met een stok, als een hond. Trouw wou ik terugkomen maar ik dank de wachter.
Maar niemand zal ooit nog zijn voor mij wat gij waart. Want gij zaaide de zaden van twijfel in elke cel van mijn lichaam, en nu is het lente.
Ik zeg u vaarwel, nu. Hier. Omdat ze mij anders vragen waarom ik u dit aandoe.
Vaarwel.
Liefs.