Zelfs tegen u kan ik niets meer zeggen.
Gedachen stormen mijn hoofd binnen maar ze verdwijnen niet meer in de woorden die ik u vertel. Ze vallen in de put die Herinneringen heet, de put die mij 's nachts wakker houdt.
Ik dacht naar haar te gaan met wat ik ieder weekend doorstond. Niet doorstond, ik dacht naar haar te gaan met verhalen over mijn leven.
Daar was geen tijd voor. Geen zin, geen behoefte. Onbelangrijk en vooral bijkomstig.
Ik verwachtte dat ge me zou opvangen, gelijk we dat eens zagen in de serie die wij samen zagen. Ge gaat op een tafel staan en iedereen die ge graag ziet staat er rond. Ik viel vlak achterover, recht op de linoleum die uw gezicht weerkaatste.
Wanneer zal iemand mij eens redden?
In het holst van de nacht, als niemand mij ziet, ben ik heel eenzaam.
En de tranen volgen met een paar snikken, maar nooit zult ge het gejank horen.
Als ge twee meter van mij af zit, wetend hoe ik aan de gaten in mijn bestaan kom, dan nog merkt ge niet hoe mijn gezicht plots vochtig wordt van wat mij kwelt.
Wie zal mij redden, eens,
ooit,
het proberen op zijn minst,
en vooral,
wanneer?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten